Duurtest Rotor REX 1.1- Rondjes draaien met een ovaal kettingblad

Eerder keken we al eens naar ovale kettingbladen van een concurrent uit Taiwan. Het was echter het Spaanse Rotor die het ovale blad zo’n 10 jaar geleden terug op de kaart zette. Ik trapte de voorbije winter en dit voorjaar zo’n 3.000 km weg op een Rotor Rex 1.1 crankset met een narrow-wide Q-Ring voor een 1×11 aandrijving en een bijpassende set trapaslagers.

RotorREX11_2

Lulkoekbingo in het kwadraat?

Zoals we in de preview al meldden, is deze ‘single ring’ QX1 Q-Ring met 12,5% ovaliteit nóg ovaler dan de bladen van een dubbel of triple setup met 10% ovaliteit. De reden hiervoor is dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met een voorderailleur en schakelprofielen. Wishful thinking: betekent 2,5% méér ovaal ook nog eens 2,5% efficiënter?

Rotor claimt voor haar (double en triple) Q-Rings een vermogenstoename (+27 Watt) en licht toe:

“The gain of 27 Watts was measured in specific circumstances: a Sprint 1km TT. This basically meant that because you eliminate the dead-spot, you basically get 2 resting points during one pedal-stroke. (Less power required to overcome the dead-spot, by using the intertia of the rider.)

This allows you to be “less” fatigue under the same circumstances with Round rings. The Power that you safe can either be used to sprint harder or be less fatigue. This will then give you the advantage. Assuming they went at max capacity, the power thus increased. (Same as speed)”

Pedalforcedirection

Het trapkoppel volgt uit de kracht op je pedaal (aangegeven door de grofweg verticaal georiënteerde pijlen) maal de afstand tussen pedaal en trapas gemeten loodrecht tussen de krachtpijl en de trapas. Bron: High-Tech Cycling

Zoals in bovenstaande figuur duidelijk wordt, zet je meer kracht op je pedalen naar mate je benen strekt en is daarmee het opgewekte trapkoppel tijdens de crankomwenteling dus niet constant. Een bijkomend effect is dat de pedaalkracht toen neemt terwijl de loodrechte afstand van die pedaalkracht ten opzichte van de trapas verkort naar mate de crankarm naar beneden beweegt. Het resultaat is dus dat de kracht die je op je achterwiel zet, nooit constant is en continue fluctueert in een sinusvormige beweging. Met je crank in grofweg de onderste stand bevind je je op het onderste dode punt (‘dead-spot’).

ShimanoBiopace1989-01

Een knipsel uit de catalogus van 1989 van Shimano. Biopace: één van de zeldzame, pijnlijke momenten van de Japanse firma. Het Biopace-effect doet precies het tegenovergestelde van de moderne ovale kettingbladen: in de zone van de pedaalslag waar je het sterkst bent, trap je sneller met minder kracht en worden je spieren juist zwaarder belast naar mate je bij het dode punt van de trapbeweging komt…

In tegenstelling tot de hier boven getoonde Biopace wordt het moderne ovale kettingblad richting het dode punt kleiner in diameter. Op het moment dat de spierkracht het minst efficiënt op het kettingblad overgebracht wordt, is de overbrenging dus bewust kleiner gemaakt, zodat je gemakkelijker door deze zone in de trapbeweging trapt.

Het dode punt wordt dus niet volledig geëlimineerd, maar je trapt er gemakkelijker doorheen, waarbij de inertia (massa en snelheid) van je benen juist mee zou helpen, aldus Rotor. En dat levert volgens Rotor een besparing aan energie op. Een besparing die je ten gelde kan maken doordat je het ófwel langer uithoudt, ófwel met dezelfde energie méér output op je achterwiel kan zetten en dát vertaalt zich dan naar een vermogenswinst.

Óf je dat dus uitnut, is nog maar de vraag en ik zou om die reden hooguit willen spreken over een ‘equivalente vermogenswinst’. Zeker als je rekening houdt met het feit dat de spiergroepen in benen wat anders worden aangesproken. Bepaalde spieren doen minder terwijl anderen méér doen. Die verschuiving kan een gunstig effect hebben op de totale omzetting van energie naar pedaalkracht en om die twee redenen zou de term ‘efficiëntiewinst’ misschien nog wel beter passen en vooral ook een méér logische reden zijn om een ovaal kettingblad te overwegen…

Vierkant draaien met een ovaal

De spiergroepen in de benen worden anders aangesproken en je trapbeweging wordt wat anders. Dat effect openbaart zich bij de toegenomen ovaliteit ook in extremere mate. Het duurde bij mij dan ook behoorlijk lang voordat mijn spieren gewend waren aan de Q-Ring. Niet dat de trapbeweging raar op me overkwam; de eerste paar meters merk je inderdaad wel wat. Zoals Mark over de door hem geteste Ridea bladen al opmerkte: het is alsof je telkens een kort duwtje krijgt, wat soms ook geïnterpreteerd kan worden als een zwabberende achterband. Dat gevoel gaat vrij snel weg. Ook in mijn geval met het 12,5% ovale Rotor kettingblad. Ik wissel veel af tussen de fiets waar deze Q-Ring op gemonteerd zit en andere fietsen met normale kettingbladen. In beide gevallen merk je de eerste vijf omwentelingen ‘wat’ en daarna verdwijnt dat gevoel.

RotorREX11_3

Wat lange tijd niet bij mij weg ging, was een lichte spierpijn net boven mijn knieën, na lange of stevige ritten me de Q-Ring: Een teken dat inderdaad andere spieren aangesproken worden. Inmiddels komt die spierpijn niet meer voor, maar ik vond het opvallend hoe lang het duurde; minstens 1.000 van de in totaal 3.000 testkilometers. Het voelde na elke rit dan ook alsof ik enorm had ‘geharkt’, of vierkant had gedraaid, zo u wilt.

 

…leuke Strava-tijden, maar de lamp gaat sneller uit dan ik zou willen…

 

Tractie, meer zadeltijd en sneller

Eerlijkheidshalve kan ik niet zeggen of ik beter rijd met de Rotor Q-Ring. Dat zou ook vragen om een strakkere definitie van dat woordje ‘beter’ en dat is voor iedereen anders. Zoals gezegd wissel ik veel af tussen fietsen, waarbij het merendeel normale kettingbladen heeft. Op geen andere fiets heb ik een 1×11 groepset, geen andere fiets wordt op soortgelijke ritten ingezet. 1:1 vergelijkingsmateriaal is er dan ook niet.

Er waren echter drie duidelijke waarnemingen:

  1. Bij het klimmen valt op dat het achterwiel beter zijn tractie houdt op de steilste secties. Bij een trapbeweging is de kracht die met je benen via de crankarmen overbrengt op je op de ketting nooit constant en volgt een sinusvorm. Het ovale kettingblad trekt die sinusvorm wat vlakker: De opbouw van kracht naar het achterwiel is daardoor wat vloeiender en je trapt zodoende minder snel door wanneer je weinig tractie hebt. Je bent op die manier (onbewust) méér betrokken bij de grenslijn tussen grip hebben en doortrappen. Een welkome eigenschap!
  2. Er is een duidelijke relatie tussen de oriëntatie van het kettingblad ten opzichte van de crankarm en hoe je je als rijder daartoe verhoudt. Zodra ik ging staan, merkte ik weer eenzelfde effect als bij die eerste paar omwentelingen toen ovale kettingbladen geheel nieuw voor me waren. Echter in mindere mate en ook dat gevoel wende snel. Het had als onbewust bij-effect in mijn optiek wel dat ik méér en langer bleef zitten op het zadel. Aangezien ik deze test deed met een XC full suspension, was dat niet zo’n probleem en veel gevallen zelfs complementair aan elkaar.
  3. Ik rijd sneller door dit kettingblad (!). Met name op de vlakkere, meer lopende stukken, wanneer je wat minder tegendruk hebt vanuit de pedalen, is de pulserende werking van het ovale blad sterker waarneembaar. Bijgevolg schakelde ik achteraan consequent een krans kleiner om weer wat meer tegendruk onder de voeten te hebben. In dit geval betrof het een SRAM XX1 cassette, waarop de stappen tussen de kleine kransjes betrekkelijk groot zijn (18-20%). Combineer dat met een bepaalde minimale beensnelheid die je wilt hebben (en automatisch en onbewust toch weer op zoekt) en het gevolg is dat je een hogere snelheid rijdt. Enig nadeel is echter dat zwaarder trappen uiteraard ten koste gaat van de uithouding (…). Ik rijd dan misschien wat sneller, maar het is meer een mentale strijd geworden: Leuke Strava-tijden, maar de lamp gaat sneller uit dan ik zou willen…

Rotor is ook bekend om hun OCP (Optimum Chainring Position) concept. Meerdere montagegaten geven de mogelijkheid de oriëntatie van het ovaal aan te passen naar persoonlijke voorkeur. Ook deze QX1 heeft 3 posities, waarbij Rotor aanraadt te beginnen in positie ‘3’. Eenmaal gewend aan het ovale blad kun je er voor kiezen verder te verfijnen… bijvoorbeeld om bepaalde symptomen te bestrijden. De spierpijn die ik in de eerste 1.000 km ervoer, zou volgens de handleiding hinten naar een verstelling van één stap. Niettemin zijn de overige beschreven symptomen juist tegenstrijdig aan mijn ervaringen, dus heb ik vooralsnog niet de neiging gehad het blad te verstellen. Hieruit blijkt ook wel dat veel van deze materie sterk onderhevig is aan persoonlijke voorkeur.

 

Rotor’s QX1 blad presteert, ondanks de ovaliteit, ook niet anders dan anderen wat betreft “chain management”

 

Narrow-Wide
Met een single-ring setup heb je enig – wat SRAM noemt – “chain management” nodig. Een clutch derailleur én iets om vooraan de ketting op het kettingblad te houden. Rotor kiest voor een intermitterende dik/dun tandvorm. In de eerste kilometers liep dit in combinatie met SRAM’s PC-XX1 ketting bij schuine kettinglijn wat tokkelend. Maar niet meer of minder dan andere narrow-wide bladen. Al snel tekende zich een licht slijtagepatroon af langs de randen van de dikste tand en nam het geluid af.

RotorRex_02
De aftekening na 3.000 km de voorbije winter en voorjaar.

Rotor’s QX1 blad presteert, ondanks de ovaliteit, ook niet anders dan anderen wat betreft genoemde “chain management”. Niet één keer is de ketting van het blad gekomen; zelfs niet bij de meest extreme kettinglijn, achteruit trappende terwijl ik over wat stenen in een aanloop naar een steile klim stuiterde. Modder en andere vuiligheid wordt voldoende afgevoerd en had geen effect op het loopgedrag van de ketting. Na 3.000 km bleek ook het slijtagepatroon binnen de perken te zijn gebleven. Er is niets veranderd aan de loopkwaliteit en de overige eigenschappen, noch heb ik enige indicatie dat vervanging aanstonds is.

Rex 1 Cranks en lagers

Een nadeel van Rotor’s QX1 kettingblad is de specifieke montagepassing. Die past enkel op Specialized cranks, SRAM’s XX(1) en uiteraard Rotor’s eigen Rex 1 en 2 cranks; in alle gevallen met een specifieke spider van Rotor. Ik was op pad met de Rex 1.1 crank – het topmodel. Op Rotor’s website wordt geclaimd dat het de lichtste en stijfste mountainbikecrank is. Qua gewicht is het met 570 gram (crank, spider en 32t kettingblad) zeker één van de lichtste. Laat ‘ano’ en ‘ia’ weg van ‘anorexia’ en je hebt inderdaad Rex: behoorlijk oversized armen en dat geldt ook voor de as; die meet een gezonde 30 mm. Wat betreft stijfheid kan ik echter geen getallen geven; hier bij Velozine hebben we namelijk geen laboratorium en de daarbij behorende witte jassen. De claim ‘stijf’ kan ik echter wel beamen: dat zijn ze!

De crankarmen hebben een redelijk lage Q-waarde van 163 mm, terwijl ze nabij de verbinding met de trapas nog vrij breed zijn. Dat heeft tot gevolg dat je met de binnenzijde van je schoenen al vrij snel wat slijtsporen gaat creëren. Zonde van de looks. De armen zijn ook dusdanig geprofileerd dat een kunststof beschermingssticker eigenlijk niet toepasbaar is – helaas.

RotorRex_01
Op de hoeken van de crankarmen, nabij de trapas, ging vrij snel wat anodisatie weg door aanraking met de schoenen.

De montage kostte wat tijd. De spanmoer voor de lagerafstelling op de linker crankarm heeft een korte stelweg, waardoor een overschot aan zijdelingse speling eerst opgevuld dient te worden met kunststof vulringen. Deze methode stond echter karig omschreven in de – eveneens nogal summiere – handleiding. Aanvankelijk was ik sceptisch over de opbouw van de crankset met losse aluminium armen, spider, as en de kunststof shims; in mijn optiek vaak oorzaak voor lastig oplosbare kraakjes. Geheel tot mijn genoegen heeft de hele setup echter niet één keer gekraakt tijdens de voorbije natte winter en het droge voorjaar.

Even sceptisch was ik over de trapaslagering. Zoals we in de preview al aangaven, hebben we de meest uitdagende setup: de kleinste diameter bottom bracket (41 mm) met de grootste trapas (30 mm); weinig ruimte voor lagers dus. Bij Rotors press-fit lagers voor deze setup (type Press Fit 4130) is de buitenring van het lager zelf ook de ring die je rechtstreeks in het frame perst. Dus geen kunststof of aluminium cups die je in je frame perst waar de eigenlijke lagers vast in gemonteerd zitten. Dit maakt dat die spaarzame ruimte die er is, zoveel mogelijk benut kan worden voor de – in dit geval – dubbele rij (!) stalen kogels.

Rotor_PF4130

Ik heb de lagers aan de achterzijde (binnenkant van de bracket pot) voorzien van een extra lik vet om een extra barrière te creëren tussen de seal van het lager aan de binnenzijde en het onvermijdelijke vocht dat via de zitbuis de bracket pot in sijpelt. Aan de buitenzijde zijn twee seals standaard en het geheel lijkt vooralsnog robuust te zijn. Het lager aan de kettingzijde loopt nog als nieuw. Dit lager wordt dan ook grotendeels van vuiligheid en water gespaard doordat een vulring en kettingbladspider het geheel nog eens extra omsluiten. Aan de linkerzijde is het nieuwe wél van het lager af en voelt ietsjes rauw. Er is ook duidelijk méér roest-afzetting op de aluminium as te zien aan deze zijde. Water heeft aan de linkerzijde van de bottom bracket dus iets meer huis kunnen houden.

 

…reden om het geloof in de engineerings-kwaliteiten van de fietsindustrie nog niet helemaal op te geven.

 

Het geheel draait echter nog steeds spelingsvrij en stil. Jaren lang was ik niet echt gecharmeerd van de ontwikkelingen op het gebied van cranklagering en kon mij geheel vinden in Evil E’s betoog. Hoewel ik nog steeds in basis geen fan ben van dit press fit concept is het feit dat deze set na 3.000 km nog steeds geheel probleemloos draait, reden om het geloof in de engineerings-kwaliteiten van de fietsindustrie nog niet helemaal op te geven.

RotorREX_BB2
De rechterzijde is als nieuw…

RotorREX_BB1
… terwijl aan de linkerzijde het ‘nieuwe’ van het lager af is. Vocht heeft iets meer vrij spel gehad en de stalen binnenring van het lager heeft wat roestafzetting geven op de aluminium as.

Recapitular

Ik begon in 1997 met mountainbiken. Mijn eerste mountainbike schurkte dan ook tegen dat wat ik in de jaren daarvoor met enige regelmaat als MTB betitelde en dus voor mij als referentiemateriaal diende. Gepolijst alu met wat blinkende ano kleurtjes.

Het was ook in die tijd – de jaren ’90 – dat iedereen die een frees- of draaibank had en een anodisatieboer op de hoek van de straat kende, fietsonderdelen maakte. Ze kwamen er – ondanks soms wel erg brakke kwaliteit – nog mee weg ook. Tegenwoordig wordt alles gesmeed in elegante, meer organische vormen en moet het zoveel mogelijk van carbon zijn om licht en sexy te zijn.

In dat licht vind ik Rotor’s insteek met hun robuust ogende, CNC gefreesde armen – met de freessporen nog zichtbaar – een welkome afwisseling. Het past goed bij het eveneens meer robuuste karakter van een mountainbike dat de voorbije jaren wat vervaagd is in ronde, organische vormen die ik meer vind passen bij een racefiets. In tegenstelling tot vroeger is de kwaliteit van het ontwerp en de gewichtsoptimalisatie ook op een hoog niveau en hoeven de looks alleen niet de enige reden te zijn om de Rotor cranks te kopen.

Het QX1 kettingblad werkt als single-ring setup feilloos. Als ovaal kettingblad met 12,5% ovaliteit was de gewennigsperiode voor het gevoel niet lang, al bleef ik wel lange tijd na flinke rondjes pedaalduwen lichte spierpijn houden net boven de knie. Ovale kettingbladen spreken de beenspieren dus anders aan. Dat ik er harder mee rijd, is in mijn geval niet te wijten aan een vermogenstoename. Dat ik door harder rijden mijn spieren extra getraind heb, is een simpel gegeven. Van een winst in efficiëntie valt in mijn geval ook niet te spreken. Daarvoor moet óók mijn fysieke én mentale uithoudingsvermogen wat meer getraind wordt en dat is zowaar nog het moeilijkste.

Tekst en foto’s: Jeroen van den Brand

Posted in Reviews, Specials.

Reacties

avatar