
NTFU-update markeert volgende stap in verkenning en introduceert werktitel ‘MTBpas’
De NTFU publiceerde op 18 februari een update over de verkenning naar een landelijk mountainbikevignet. Aanleiding daarvoor waren recente overleggen binnen de stuurgroep, expertgroep en klankbordgroep. Daar spraken vertegenwoordigers van terreinbeheerders, routeorganisaties, trailcrews en mountainbikers uit verschillende regio’s over de voortgang en invulling van het traject.
Op basis van die gesprekken is besloten de verkenning te verlengen tot eind 2026 en binnen het traject de werktitel ‘MTBpas’ te hanteren. Daarbij wordt benadrukt dat het nog steeds gaat om een haalbaarheidsonderzoek en niet om een invoeringsbesluit. Nu de plannen wat concreter worden en tegelijkertijd de discussie onder mountainbikers ook toeneemt, is het zinvol om de feiten en uitgangspunten nog eens goed onder het vergrootglas te nemen.
Transparantie
Jeroen was op zaterdag 7 februari aanwezig bij de klankbordgroepsessie van de NTFU. Daarbij nam hij deel op persoonlijke titel, met betrokkenheid als journalist, als mountainbiker en als betrokkene bij een lokaal mountainbikerouteproject.
In dit artikel wordt verwezen naar informatie die tijdens de klankbordgroepsessie is gedeeld, aangevuld met de publieke communicatie van de NTFU van 18 februari op de stakeholderswebsite.
Dit artikel is geschreven vanuit redactionele onafhankelijkheid.
Waarom een verkenning naar een landelijk MTB-vignet?
De verkenning naar een landelijke gebruikersbijdrage voor mountainbikeroutes begon vorig jaar vanuit een bredere zorg: hoe houden we het Nederlandse routenetwerk toekomstbestendig in een steeds complexere omgeving?
Beheer en aanleg draaien al lang niet meer alleen om vrijwilligers met een schop. Vergunningen, ecologische toetsingen, zorgplicht, aansprakelijkheid en formele afspraken met terreineigenaren spelen een steeds grotere rol. Dat vraagt tijd, expertise en structurele financiering. Tegelijk verschillen regio’s sterk in organisatie en financiële basis.
De centrale vraag in het traject is daarom niet simpelweg of mountainbikers moeten betalen, maar of een gezamenlijk systeem kan bijdragen aan duidelijkheid en continuïteit, zonder de sport onnodig te beperken. Over de start van deze verkenning schreven we vorig jaar al uitgebreider in dit artikel.

Wie zitten er aan tafel?
Het traject wordt begeleid door verkenner Emma Brandsen en kent meerdere overleglagen, elk met een eigen rol:
- Stuurgroep – Bestuurlijke begeleiding van het traject. Hierin zijn onder meer de NTFU, NOC*NSF, terreinbeheerders zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, routebureaus en andere landelijke partners vertegenwoordigd.
- Expertgroep – Een inhoudelijke werkgroep waarin varianten verder worden uitgewerkt en getoetst. Ook hierin zijn vertegenwoordigers van trailcrews betrokken.
- Klankbordgroep – Mountainbikers uit verschillende regio’s en achtergronden die meedenken over uitgangspunten, zorgen en praktische gevolgen.
Daarnaast is er bredere participatie vanuit het veld. Er staat nog altijd een gebruikersenquête open, waarvan de uitkomsten worden meegenomen in het proces. Ook zijn er bijeenkomsten georganiseerd specifiek voor trailcrews om hun ervaringen en aandachtspunten te verzamelen.
Wat zegt de gebruikersenquête?
Uit de nog lopende gebruikersenquête heeft de NTFU inmiddels enkele eerste resultaten gedeeld. Ruim 2.100 respondenten vulden de vragenlijst in. De eerste hoofdlijnen laten zien dat een meerderheid positief staat tegenover het idee van een gezamenlijk systeem voor routebijdragen en dat er brede steun is voor gratis toegang voor jongeren.
De enquête ging daarbij verder dan alleen het principe. Respondenten kregen verschillende uitvoeringsvarianten en prijsindicaties voorgelegd, zoals de keuze tussen een landelijk of regionaal vignet, de hoogte van een jaar- of dagbijdrage, en voorwaarden rondom lokale regie, besteding van middelen en digitale uitvoering. Daarmee werd niet alleen gevraagd óf er draagvlak is, maar ook onder welke voorwaarden.
Kritiek op gebruikersenquête
In discussies onder mountainbikers klinkt ook kritiek op de opzet van de vragenlijst. Sommige respondenten ervaren de scenario’s juist als sturend, omdat ze uitgaan van de aanname dát er een vorm van gebruikersbijdrage komt. Die kritiek is begrijpelijk in een traject waarin juist het uitgangspunt nog onderwerp van debat is.
De vragenlijst is opgesteld door mensen die dagelijks met dit dossier bezig zijn en al een paar denkstappen verder zitten in de uitwerking. Voor mountainbikers die het traject vooral via nieuws en forumdiscussies volgen, kan dat logischerwijs voelen alsof de uitwerking al verder is dan de principiële discussie zelf. Dat verschil in tempo en perspectief voedt dan ook juist de kritiek.
Tegelijkertijd is het doel van de enquête om binnen de verkenning voorkeuren en randvoorwaarden zichtbaar te maken. Dat maakt de uitkomsten bruikbaar, maar niet beslissend. Ze geven richting, zonder dat er al vastligt hoe een eventueel definitief systeem eruit komt te zien.

Verlenging van verkenningstraject
Tijdens een onlangs gehouden overleg met de stuurgroep is vastgesteld dat de verkenning wordt verlengd tot december 2026, zo lezen we op de stakeholderswebsite van de NTFU. Ook wordt er nu gesproken over de ‘MTBpas’ in plaats van een ‘landelijk MTB-vignet’. Beide aspecten duiden er op er géén besluit genomen is tot invoering van een systeem, maar dat betrokken partijen voldoende draagvlak en aanknopingspunten zien om het onderzoek voort te zetten.
Ook is duidelijk te lezen dat de verkenning geen invoeringstraject is met een vast eindpunt, maar een zogenoemd iteratief haalbaarheidstraject. In gewone taal betekent dit dat er stap voor stap wordt gekeken of een mogelijk systeem werkbaar is en bij iedere stap kan worden bijgestuurd.
Overeenstemming over probleemstelling is nog geen overeenstemming over de oplossing
Dat er overeenstemming is over de centrale probleemstelling, zegt dus nog niet dat er ook overeenstemming is over de oplossing. En met dat blikveld is het logisch dat er verschillende inrichtingsopties nu concreter worden gemaakt. Niet om ze alvast uit te rollen, maar om te kunnen beoordelen of ze in de praktijk standhouden, mét voldoende draagvlak.
Je zou het kunnen vergelijken met een blok klei: vrijwel iedereen kan het erover eens zijn dat er een beeld moet komen, maar pas tijdens het vormen wordt duidelijk of de gekozen richting daadwerkelijk werkt. Al knedend kan het ontwerp veranderen, worden bijgestuurd of zelfs volledig worden herzien. De uitkomst staat op voorhand dus niet vast en juist het vormproces moet duidelijk maken wat houdbaar is.
Pas na overeenstemming dat de haalbaarheid volgens duidelijk voorwaarden is aangetoond, kan pas een besluit tot invoering komen. Tot eind 2026 wordt daarom gewerkt volgens een aantal uitgangspunten:
- Varianten worden gefaseerd uitgewerkt en telkens getoetst op uitvoerbaarheid.
- Binnen de stuurgroep is vooraf helder waarover besluitvorming plaatsvindt.
- Na ieder besluitmoment wordt publiekelijk teruggekoppeld over de uitkomsten en vervolgstappen.

Wat houdt de MTBpas concreet in?
Binnen het haalbaarheidsonderzoek worden inmiddels een aantal werkhypotheses concreter uitgewerkt. Dat betekent niet dat ze vaststaan, maar wel dat ze voldoende vorm hebben gekregen om te kunnen worden getoetst.
De contouren die nu zichtbaar zijn:
- Een digitale pas, met mogelijk een aanvullende stickeroptie om een regionale identiteit vast te houden of te versterken.
- Geldigheid op gemarkeerde mountainbikeroutes.
- Deelname per regio op vrijwillige basis, afhankelijk van instemming van terreinbeheerders en routeorganisaties.
- Mogelijk twee varianten: een landelijke pas (voor deelnemende regio’s) en een regiopas.
- Een indicatief richtbedrag van circa 30 euro per jaar of 2 tot 3 euro per dag.
Bij deze vijf punten horen bovendien randvoorwaarden die minstens zo belangrijk zijn voor draagvlak.
Geen automatisch verplicht landelijk systeem
Een van de grootste zorgen in de discussie is dat een landelijk systeem automatisch voor alle mountainbikeroutes verplicht zou worden. Op basis van de huidige uitgangspunten is dat dus duidelijk niet per definitie het geval.
De dekking hangt af van de keuze van individuele gebieden (in de praktijk de terreineigenaren) om wel of niet deel te nemen. Alleen in regio’s waar terreinbeheerders en routeorganisaties instemmen, zou een eventuele MTBpas gelden. Dat betekent dat er in theorie en waarschijnlijk in de praktijk een situatie ontstaat waarin sommige regio’s wel deelnemen en andere niet. Of het systeem uiteindelijk landelijk dekkend wordt, hangt volledig af van de keuzes van de afzonderlijke regio’s en terreinbeheerders.
De onderliggende gedachte achter de MTBpas is juist om versnippering te beperken en waar mogelijk samenhang te creëren. Of regio’s die een eigen bijdrage van mountainbikers overwegen zich inderdaad aansluiten bij een gezamenlijk systeem en daarmee verdere versnippering voorkomen, moet in de komende periode nog blijken.

Vrij rijden, regulering en het ‘verdienmodel’-argument
Een terugkerend thema in de discussie is de zorg dat een MTBpas kan uitgroeien tot een breder reguleringsinstrument. Wanneer een bijdrage wordt gekoppeld aan toegang, kan dat bij terreineigenaren ook worden gezien als een nieuw inkomstenmodel. Dat is op zichzelf geen onterechte observatie. Tegelijkertijd staan subsidies voor recreatieve infrastructuur onder druk en zoeken terreinbeheerders naar manieren om beheer betaalbaar te houden.
Binnen de klankbordgroep is expliciet uitgesproken dat de invoer van een MTBpas geen automatische inperking van ‘vrij rijden’ mag betekenen in gebieden waar dat nu mogelijk is. De bedoeling is dat bijdragen ten goede komen aan bestaande mountainbikeroutes en hun onderhoud, niet dat ze worden ingezet als argument voor extra afsluitingen.
Hoe die balans in de praktijk wordt bewaakt, is echter vooral nog een openstaande vraag. Als financiële prikkels en regulering te sterk aan elkaar worden gekoppeld, ontstaat spanning tussen toegankelijkheid en beheer. Juist op dit punt zal in de komende fase duidelijk moeten worden hoe voorwaarden worden vastgelegd en hoe wordt voorkomen dat een bijdrage leidt tot onbedoelde beperkingen.

Transparantie over besteding en organisatie is cruciaal
Minstens zo belangrijk voor draagvlak is de vraag wat er met de bijdrage gebeurt en hoe het systeem zelf wordt georganiseerd.
Tijdens de klankbordgroepsessie werd expliciet uitgesproken door deelnemers én de NTFU dat het organisatorisch zo simpel mogelijk moet blijven. In de voorlopige denkrichting wordt uitgegaan van een compacte, onafhankelijke uitvoeringsorganisatie, met een praktische koppeling naar de NTFU. De personele omvang wordt daarbij voorzichtig ingeschat als beperkt, maar exacte invulling en schaal zijn nog onderwerp van uitwerking.
Geen nieuw, zwaar opgetuigd instituut dus, maar een compacte structuur. In dat voorstel ligt ook een taak voor de lokale routebureaus. Zij hebben zicht op de regionale behoeftes en zijn daarin het aanspreekpunt voor de trailcrews.
Daarnaast ligt er nog een belangrijke inhoudelijke vraag: hoe worden de middelen verdeeld? In de voorlopige voorstellen wordt onder meer gekeken naar variabelen zoals de totale onverharde lengte van een route, het percentage singletrack, de moeilijkheidsclassificatie, de aanwezigheid van een parallel pad en de intensiteit van gebruik. Dat zijn objectieve factoren die een eerste verdeelmodel mogelijk maken. Tegelijkertijd blijft de vraag hoe onderhoudsdruk — bijvoorbeeld bij zandgrond versus stenige ondergrond — precies wordt gewogen.
Tijdens de klankbordgroep werd duidelijk dat deze nuances nadrukkelijk worden erkend. Een verfijning van het verdeelmodel is volgens de betrokkenen noodzakelijk om recht te doen aan verschillen tussen regio’s. Hoe dat model er uiteindelijk uit gaat zien, moet in de komende fase concreet worden uitgewerkt.
Zonder heldere afspraken over zowel organisatie als verdeling van middelen, zal het vertrouwen onder mountainbikers snel onder druk komen te staan. Juist op dit punt zal de komende periode bepalend zijn voor het draagvlak.

Wat betekent dit voor lokale trailcrews?
Een andere terugkerende zorg is wat een ‘landelijk’ systeem als de MTBpas betekent voor de positie van vrijwillige trailcrews. In veel regio’s zijn het juist deze lokale groepen die mountainbikeroutes aanleggen, onderhouden en daarvoor ook de fondsen werven. Hun betrokkenheid en autonomie vormen de ruggengraat van het Nederlandse mountainbiken.
Tijdens de klankbordgroepsessie werd benadrukt dat geen sprake is van centraal aangestuurd beleid waarbij lokale organisaties hun zeggenschap verliezen. Deelname blijft per regio vrijwillig en de samenwerking zou in de praktijk vooral via routebureaus en terreinbeheerders lopen. Waar de uiteindelijke regie precies komt te liggen en hoe besluitvorming wordt georganiseerd, moet in de komende fase nog verder worden uitgewerkt. Maar in de kern hoeft dat niet anders te zijn dan hoe dat nu bij de goedlopende trailinitiatieven al loopt.

Een bijdrage via de MTBpas is geen vervanging van betrokkenheid
De discussie over een MTBpas raakt ook aan een bredere vraag binnen de mountainbikegemeenschap zelf. Structurele financiering kan helpen om mountainbikeroutes beter te organiseren en toekomstbestendig te maken. Maar een financiële bijdrage mag niet worden gezien als een morele afkoop van betrokkenheid.
Het Nederlandse routenetwerk is groot geworden door vrijwilligers die hun vrije tijd steken in aanleg, onderhoud en overleg met terreineigenaren. Dat fundament verandert niet automatisch wanneer er een gezamenlijk systeem komt.
Juist wanneer er meer geld beschikbaar komt, blijft het cruciaal dat mountainbikers zelf de schouders onder hun mountainbikeroutes blijven zetten. Een MTBpas kan onderhoud ondersteunen, maar vervangt geen lokale inzet, geen eigenaarschap en geen community.
Tot slot
De grote lijnen van het probleem zijn breed herkenbaar. De contouren van een mogelijke oplossing beginnen zichtbaar te worden. Maar juist nu wordt het spannend. Niet omdat er al een besluit ligt, maar omdat de discussie verschuift van het ‘of’ naar het ‘hoe’. Van principe naar voorwaarden. Van intentie naar uitwerking.
Tot eind 2026 ligt de nadruk op het uitwerken van die voorwaarden. Pas wanneer helder is hoe vrijwilligheid, besteding en toegankelijkheid concreet worden geborgd, kan worden beoordeeld of een gezamenlijk systeem daadwerkelijk bijdraagt aan de toekomst van het Nederlandse mountainbiken.
Tot die tijd blijft de MTBpas een werknaam binnen een verkenning. Niet meer, maar ook niet minder.
Wil je nog input leveren of meedoen?
Het traject loopt vooralsnog tot eind 2026 en bevindt zich nadrukkelijk nog in de onderzoeksfase. Wie zijn of haar visie wil meegeven, kan dat nog steeds doen via de gebruikersenquête die openstaat. De enquête is geen referendum en geen doorslaggevend besluitmoment, maar wel één van de laagdrempeligste manieren om voorkeuren en voorwaarden mee te geven.
Daarnaast zijn er momenten waarop mountainbikers direct kunnen meepraten, bijvoorbeeld via de klankbordgroep. Daarbij blijkt dat belangstelling om mee te denken groot is, maar dat daadwerkelijke opkomst bij sessies soms achterblijven. Dat is geen verwijt, maar wel een constatering: wie invloed wil hebben op de uitwerking, moet ook bereid zijn om aan tafel te verschijnen.
Minstens zo belangrijk is betrokkenheid op lokaal niveau. Routes bestaan bij de gratie van vrijwilligers. Of er nu wél of géén MTBpas komt: onderhoud, aanleg en overleg met terreineigenaren blijven mensenwerk. Wie vindt dat routes goed en toegankelijk moeten blijven, kan vaak dichter bij huis het verschil maken door zich aan te sluiten bij een trailcrew of lokale routeorganisatie. Er worden namelijk ook aparte trailcrew-bijeenkomsten georganiseerd om praktijkervaringen direct mee te nemen in het verkenningstraject. Daarbij blijkt dat vooral de meest actieve en betrokken crews aanwezig zijn, terwijl een groot deel van de bijna honderd bestaande trailcrews nog niet aanhaakt.
Meedenken kan via de enquête, meedoen begint meestal op je eigen route.










